aanpak

Huisartsenpraktijk Loksbergen start - topics - tools - diëten - folders - beelden - links

 

persoonlijkheidsstoornissen - cluster B - borderline persoonlijkheidsstoornis - aanpak

Bejegeningsadviezen

Het contact met borderline patiënten kan erg lastig zijn. Het gedrag en de ingewikkelde interactiepatronen kunnen de relatie verstoren. Borderline patiënten doen nogal eens een groot beroep op anderen – onder wie de huisarts – maar willen wel zelf beslissen. Zij voelen zich snel betutteld. Er is een meer dan gemiddelde autonomiebehoefte. Dat wordt wel verklaard door hun voorgeschiedenis, waarin veelal schendingen van de autonomie en machtsmisbruik (fysiek en seksueel geweld) voorkomen. Borderline patiënten hebben behoefte aan externe structuur maar zijn er ook allergisch voor. Zij willen advies (en vragen dat vaak aan velen in hun omgeving) maar lijken de adviezen nadrukkelijk naast zich neer te leggen. Zij hunkeren naar aandacht, liefde en zich hechten aan anderen maar huiveren daar tegelijk voor. Het is vaak aantrekken en afstoten. Dat maakt omstanders boos en wanhopig. Dat is ook vaak de reactie op het gedrag waar moeilijk greep op te krijgen is en dat soms zo gevaarlijk is. Zo’n 10% van de borderline patiënten overlijdt vroegtijdig door suïcide. Zelfdestructief gedrag is dus bepaald geen simpele ‘aandachtvragerij’.

Een vertrouwensrelatie komt zeer moeizaam tot stand. Patiënten zullen, vooral in het begin van de behandeling als er nog geen vertrouwensband heeft kunnen ontstaan, nogal eens zelfstandig, zonder overleg, beslissingen nemen over aspecten van de behandeling. Het staken van medicamenten wegens vermeende bijwerkingen, het niet opvolgen van adviezen en het raadplegen van andere deskundigen zijn enkele voorbeelden. Tegelijk hebben patiënten de neiging zich aan de huisarts vast te klampen. Zo kan een ongemakkelijk patroon ontstaan van vastklampen en afstoten, van eigenwijs zijn en toch weer advies vragen, van niet op de afspraak komen en kort daarna weer dringend om hulp vragen.

 

Wat kan de huisarts doen en laten?

 

  • Behandel de patiënt als iedere andere patiënt. Doe datgene wat bij de betreffende symptomatologie lege artis is en wat u bij andere patiënten ook zou doen. Wees niet overdreven toegevend of restrictief. Dit geldt ook voor medicamenteus beleid: geen herhalingsrecepten, zeker niet van benzodiazepines (!), maar ook niet te snel weigeren uit angst voor misbruik. Verwijs tijdig.
  • Begrens. Maak van het begin af duidelijk waar u de patiënt wel – en niet! – mee van dienst kunt zijn. Verwijs waar nodig. Leg ook vriendelijk maar duidelijk, zo concreet mogelijk, uit welke gedragingen u niet accepteert. U kunt bijvoorbeeld afspreken dat u bereid bent de patiënt te hechten maar niet als deze ‘met veel bombarie en bloedend’ de wachtruimte betreedt. Of dat u extra tijd wilt aanbieden op een ander moment maar dat u dreigementen niet accepteert (denk ook aan de assistent).
  • Steun de patiënt waar mogelijk. Deze heeft nogal eens mensen (onder wie collegae) tegen zich in het harnas gejaagd en staat soms eenzaam in het leven. Leg uit hoe je dingen handiger kunt aanpakken (‘Los van wie er gelijk heeft’). Cave: voer zelf geen psychiatrische behandeling uit, daarvoor is de aandoening te complex en voor u het weet doet de patiënt een enorm beroep op u. Neem suïcidale uitingen serieus (steun) zonder tot paniekvoetbal over te gaan.
  • De juiste bejegening is niet gemakkelijk te vinden maar wel de basis voor een goede relatie. Belangrijke uitgangspunten zijn: wees betrouwbaar (beloof geen dingen, om er even van af te zijn, die u niet waar kunt maken); leg veel uit en herhaal dit regelmatig (stabiliteit bij de ander geeft vertrouwen); probeer neutraal te reageren (niet veroordelend, beschermend of juist afhoudend); overweeg om niet direct te reageren of tot actie over te gaan tenzij dat echt nodig is; vraag de patiënt nog eens terug; een luisterend oor is soms voldoende; het motto is: maximale betrokkenheid met behoud van distantie. Het kan helpen om te bedenken dat het grillige gedrag meestal voortkomt uit angst en als pathologie te kenschetsen is. Zo kunnen we proberen te vermijden dat we verwijten maken aan een patiënt net zoals wanneer iemand psychotisch is, dement, verslaafd of anorectisch, of een aandoening heeft aan de schildklier, het hart of de knieschijf.
  • Werk samen met de GGZ. Zoek eventueel zelf contact en dring aan op samenwerking en informatieverstrekking (opname, ontslag, crisisplan). De GGZ is verantwoordelijk voor deugdelijk crisisbeleid (bedenk wel dat er patiënten zijn die (nog?) niet meewerken, ondanks alle goede bedoelingen van alle betrokkenen).
  • Consultatie. Zoek steun bij directe collega’s (groepspraktijk, waarneemgroep) of die uit de GGZ. Eenvoudige tips van iemand die er niet ‘middenin zit’ kunnen wonderen verrichten.
  • Schakel bij forse gezinsproblemen eventueel derden in, bijvoorbeeld een psycholoog of maatschappelijk werker. Zo kunt u beter uw positie van (vertrouwens)arts voor alle betrokkenen handhaven.
  • Wijs de patiënt en zo nodig ook diens gezins- of familieleden op de mogelijkheden van zelfhulp en lotgenotencontact

 

 

webdesign dr Vanschoenbeek Jan